Zaaldokter

by - 27.4.20

Ik ben vanaf deze week de zaaldokter van de kaakchirurgie. Nu zullen de meesten zich direct afvragen hoe je ooit een ziekenhuiszaal kunt vullen met kaakchirurgische patiënten, maar dat kan best een interessante collectie zijn. Meestal variëert dat van een groepje ongelukkigen die de tandarts vrezen en nooit iets aan hun gebit laten doen (en daardoor met een groot abces en 3 drains in een ziekenhuisbed belanden) tot mensen die uiterst gedreven poetsen (om een operatie te mogen ondergaan om hun gebit alleen maar in een nóg betere situatie te krijgen). Midden in de nacht wordt een bed zo nu en dan aangevuld met een van die boefjes die op straat rondlopen en een goede vuistslag op hun onderkaak weten te incasseren (of juist niet). Omdat we een academisch ziekenhuis zijn, hebben we ook een speciale groep patiënten die langer op de afdeling verblijven. Dit zijn de oncologische patiënten, die vaak al veel meegemaakt hebben in hun leven en daar bovenop nog eens de ellendige diagnose mondkanker krijgen.
Juist door de grote doorstroming van ‘kort verblijvers’, maar ook de wat uitgebreidere medische problematiek van de ‘lang verblijvers’ (die niet-uitzonderlijk de neiging hebben direct postoperatief delirant over de afdeling te gaan dwalen en niet meer dan eens hun katheter of neusmaagsonde eruit trekken) maakt dat alle dingen die je als zaaldokter van de kaakchirurgie moet regelen nog best een dagtaak. Daar bovenop zijn er nog tal van ‘klusjes’ waar niet direct duidelijk is bij wie ze thuis horen (vragen van huisartsen/tandartsen, aangewaaide poli/SEH patiënten, koeriersdiensten naar OK), die bij de zaalarts worden neergelegd. Er zijn van die dagen dat iedereen spontaan genezen lijkt of de vragen heel gedoseerd binnen komen, maar op sommige momenten kan er ineens een vrachtwagen voor je neus geparkeerd worden met de boodschap HOPELOOS VERLOREN ZAKEN WAAR NU IETS MEE MOET (lees: vrijdagmiddag).
Nu moet ik bekennen dat ik er nog niet helemaal uit ben of ik het zaalarts zijn van de kaakchirurgie zo geweldig vind. Met zoveel verschillende uitdagingen denk je vast dat de zaalarts een soort wandelende encyclopedie moet zijn, maar feitelijk moet je vooral een diploma hebben in multitasken en organiseren. ’s Ochtends begin ik altijd voorbereid aan de visite in de volle overtuiging dat ik alles perfect onder controle heb, maar op de een of andere manier eindig ik toch altijd rond een uur of vier voor een gesloten restaurant als ik dan eindelijk lunch kan kopen.
Toch begin ik elke dag opnieuw vol goede moed, zoals ook vandaag. Ik ben al een aantal keer voor iets anders weggeroepen als ik eindelijk aan het einde van de ochtend bij mijn laatste oncologische patiënt visite kom lopen. Het is meneer B. die al een aantal dagen bij mij op de afdeling is omdat hij geopereerd is aan een tumor op zijn tong. Eigenlijk doet hij het verrassend goed, maar die drain in zijn hals blijft maar lopen, waardoor hij nog niet naar huis mag. Het is elke ochtend weer spannend of dat ding er eindelijk uitgetrokken mag worden. Zij vrouw woont ver weg en het is een hele onderneming om elke dag naar het ziekenhuis te komen, waardoor hij een groot deel van de opname alleen moet doorbrengen. Gisteren heeft hij me verteld hoe erg hij haar mist.
“En, hoe is deze ochtend?” vraag ik hoopvol.
Hij haalt onzeker zijn schouders op. “Het loopt nog steeds. Ik denk dat het teveel is.”
Bedenkelijk staar ik naar de heldere vloeistof in de pot. Het is inderdaad nog te veel om hem naar huis te sturen. Verdorie, hij loopt verder gewoon als een gezonde rond en helpt zelfs de buurvrouw naast hem die minder goed uit bed kan komen. Die man hoort echt gewoon bij zijn vrouw thuis te zitten.
“We halen het vacuüm eraf,” besluit ik. “En dan kom ik aan het einde van de middag weer kijken hoeveel het nog loopt. Als er niets meer bij komt, gaat hij er vanavond alsnog uit.”
Tijd om te vragen wat hij vandaag van plan is om te doen op de afdeling heb ik niet, want de zaal telefoon onderbreekt ons gesprek. En terwijl ik een huisarts te woord sta, zwaai ik naar hem voor ik de kamer verlaat.
De huisarts bleek uiteindelijk iemand met een klein abces te hebben, welke ik diezelfde middag nog behandel. Ik moet hem daarbij wel eerst nog 20 minuten laten wachten, want terwijl zijn verdoving inwerkt word ik door de SEH arts gebeld om mee te kijken naar een aantal radiologische beelden. Een fatsoenlijk einde maken aan de abces incisie lukt me ook niet, want de verpleegkundige belt voor de vierde keer op met de vraag wanneer ik nou eindelijk een patiënt voor opname zal zien op de afdeling. Gelukkig wil mijn assisterende collega het recept pijnstilling in orde maken en de patiënt instructies geven.
Met een schuldgevoel vlieg ik de kamer al weer uit. Niet meer dan eens vraag ik mij af wat patiënten gedurende zo’n dag van zo’n dokter moeten denken. Vinden ze me ongeïnteresseerd? Misschien vinden ze me wel bot en empatieloos, het klassieke beeld wat ik van een chirurg had toen ik aan mijn coschappen begon. Pas nu besef ik me dat die chirurgen het misschien ook gewoon druk hadden.
Onderweg naar de SEH passeer ik op een onhandige manier dan toevallig een chirurg in de deuropening. Hij stoot daarbij mijn schouder aan, waardoor ik de houten spatels die ik net uit mijn zak vis op de grond laat vallen. Zonder iets te zeggen stuift hij verder.
Oké, sommige blijven gewoon bot.
Gelukkig heeft de SEH arts gelijk tijd voor mij en praat hij me bij over de patiënt waarover hij eerder gebeld heeft. De SEH artsen in dit ziekenhuis zijn echt geweldig. Ook deze keer heeft hij al het voorwerk gedaan, waardoor ik de patiënt alleen nog maar hoef te zien en het definitieve beleid vast te stellen. Gelukkig voor deze patiënt lijkt de jukboog fractuur wel mee te vallen en een paar minuten later kan ik hem veilig naar huis sturen met een aantal instructies en een controle afspraak. De verpleegkundige belt me nu voor de vijfde keer, dat ze de patiënt niet langer op de afdeling wilt houden. Of ik nu wil komen?
Het is geen onwil. Echt niet. Met twee treden tegelijk sjees ik de trap op naar boven, richting onze verpleegafdeling. De laatste tien meter loop ik ineens heel langzaam, om niet helemaal volledig buiten adem daar aan te komen. De opname had ik al eerder voorbereid, waardoor ik voor ik de patiënt te woord sta alleen nog even mijn aantekeningen hoef door te lezen.
Een kwartier later steek ik dan eindelijk een mueslireep in mijn mond, terwijl ik naar het achterste deel van de afdeling loop. Lunch missie al weer niet geslaagd, het is al weer vier uur.
Helemaal achterin op een stoel bij het raam zit meneer B. Een beetje vermoeid plof ik in eerste instantie gewoon naast hem neer en gun mezelf een minuut pauze.
“En?” vraag ik daarna.
Hij toont me de pot.
Geen millimeter gestegen.
“En?” is zijn wedervraag.
Er verschijnt een grote grijns op mijn gezicht.
“Volgens mij zit jij thuis vanavond.”
Ik ben er uit. Zaalarts zijn is geweldig.

You May Also Like

0 reacties